(Dit artikel is aangeleverd door het Historisch Genootschap en is eerder geplaatst in De Kroniek)
WIERINGERMEER – Een ankersteen verwacht je niet zomaar tijdens het diepploegen. Dat dit was wel het geval bij de familie Smit. Ze stuitte op iets hards wat niet direct te verklaren was. Na het uitgraven bleek het een vierkante steen te zijn van vermoedelijk Bentheimsteen uit België rond 1800- 1850. Er zijn in de loop van de tijd meerdere gevonden.

In de wegberm bij de bushalte Lelypark aan de Ir. Ovingestraat in Wieringerwerf lag al heel lang een grote vierkante steen met een hijsoog en een stukje ketting eraan. De precieze vindplaats is onbekend, maar vermoedelijk is hij gevonden bij de aanleg van riolering of nutsvoorzieningen voor het Lelypark in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Als iemand daar nog iets meer van weet, horen we dat graag!
Belgisch hardsteen
De steen is een ankersteen van een boei, die gebruikt is voor het aangeven van de ondiepte Oude Zeug en dateert dus uit de tijd voor de droogmaking. Dit blok Belgische hardsteen heeft een oog dat is aangegoten met lood en daardoor te dateren als van 1850 of later. Het gewicht is ongeveer 850 kg.
Eerder zijn in de polder al meer van deze stenen gevonden: 2024 nog één in het land van de familie Koolen nabij de Oude Zeug.

Ook bij de familie Dam aan de Robbenoordweg no. 4 ligt er één op de toegang tot het erf, en in het land achter de woning van de familie Hiemstra aan de Wierweg zijn omstreeks 1960 twee stenen opgeploegd bij het diepploegen. Helaas zijn deze twee laatste stenen verdwenen.
Ongetwijfeld zitten er nog meer in de polderbodem.
Ten behoeve van een veilige vaart langs de ondieptes van de oude Zuiderzee werden al heel lang geleden merktekens aangebracht. Op de wal waren dat houten bakens en in het water boeien, houten tonnen die op hun plaats bleven door een grote steen met een lange ketting eraan. Omdat de geulen niet op dezelfde plaats blijven, moeten de tonnen af en toe verlegd worden. Ook door ijsgang en doorslijten van de ketting raken de tonnen soms op drift en vaak de stenen niet meer te vinden.
Het verzorgen van de bebakening was in handen van de Hanzestad Kampen. In het archief van de stad is een brief uit 1292 van ene Claes, schout van Terschelling, die meer geld vraagt aan de stad vanwege het vele werk aan de betonning door het veranderen van de vaargeulen.
Kampen inde van alle schippers “bakengeld” voor dat onderhoud, een vette bron van inkomsten.
De stad besteedde het werk uit aan zogenaamde “bakenmeesters”, die met een schip de tonnen legden of verlegden.
Het maken van nieuwe tonnen, smeden van ketting en aankoop van de stenen gebeurde in Kampen.

Helaas verzandde de IJssel en Kampen werd minder belangrijk als handelscentrum. De stad Amsterdam nam in 1527 de verzorging van de betonning en het innen van bakengeld over. Maar voor Amsterdam duurde dit door de Tachtigjarige Oorlog niet lang, in 1573 koos Amsterdam de Spaanse zijde en verloor. De stad Enkhuizen was prinsgezind en zag zijn kans schoon. Als een beloning voor het steunen van de opstand tegen Spanje kreeg Enkhuizen de betonning en het innen van bakengeld toegewezen door Prins Willem van Oranje.
Dit is zo gebleven tot 1815, toen het nieuwe Ministerie van Oorlog en Marine de bebakening onder zijn hoede nam. In 1940 droeg de Marine de betonning over aan Rijkswaterstaat. Het betonningsmagazijn bleef echter in Enkhuizen en is pas zo’n twintig jaar geleden opgeheven en verhuisd naar Zeewolde.
Van de oudste stenen is niet veel bekend, vermoedelijk waren dit grote keien met een ijzeren beugel er omheen.
De stad Kampen importeerde blokken Bentheimer zandsteen met een gewicht van 400 tot 1000 kg per stuk, afhankelijk van de plaats waar ze gebruikt zouden worden.
Door de steen werd een gat gehakt voor de bevestiging van de ketting. Die ketting was ook van bijzondere makelij, de schalmen waren ruim dertig cm lang en tien cm breed, gesmeed van ijzeren staven met vierkante doorsnede.
In de achttiende eeuw raakte de groeve Bentheim uitgeput en moest er gezocht worden naar andere steen.
Na de Franse overheersing werd in 1815 België samengevoegd met Nederland, tot de afscheiding in 1839. Voortaan kwam de steen uit België. Eerder werden ook bij deze stenen het gat door de steen gehakt en kreeg de steel van het oog waar de ketting aan zat, een opgeklonken kop aan de onderkant. Deze kop gaf te veel schade aan de houten dekken van de betonningsschepen, zodat later een tien tot vijftien cm diep gat in de steen werd gehakt, waarin het oog werd vast gegoten met lood. Dit is duidelijk zichtbaar bij de Lelyparksteen. Vandaar de datering 1850 -1880.

Na 1900 werd steeds vaker beton gebruikt voor de stenen. Ook kregen de stenen een ronde vorm, zodat de ketting niet achter een hoek van de steen kon haken en de steen over de kop kon trekken.
Historisch Genootschap Kroniek 98
Met dank aan Kees Hos
Foto’s Ina Hoogenbosch-Glas